Erik-en-de-vuurvogels

Erik en de vuurvogels

Erik de kabouter voelt zich niet thuis in het kabouterdorp. Zijn grootste wens is om te kunnen vliegen, maar iedereen weet dat kabouters dat niet kunnen. Totdat hij vrienden wordt met de vuurvogels. Zij willen het hem wel leren! Maar daar zijn de kabouters helemaal niet blij mee…

Het verhaal

Aan de voet van een hoge berg lag een klein kabouterdorp. Het was een gezellig dorp met een mooi dorpsplein en kleurrijke huisjes in alle vormen en maten. Naast het dorp lag een prachtig meer met zulk helder water dat je helemaal tot aan de bodem kon kijken. Als het windstil was, leek het net een spiegel en grepen de meest ijdele kabouters van het dorp de kans om zichzelf eens goed te bekijken. 

In de zomer zwommen de kabouters in het meer en speelden ze met de zeemeerminnen die in het water leefden. In de winter was het te koud om te zwemmen, maar het meer bevroor nooit. De kabouters gingen dan kanoën of ze hielden racewedstrijden in hun zeilbootjes. 

In het dorp zelf was ook altijd wel iets leuks te doen. De kabouters hielden namelijk erg van feestjes. Elke verjaardag, geboorte of trouwerij werd uitbundig gevierd op het grote dorpsplein. Als je in het kabouterdorp woonde, hoefde je je geen moment te vervelen.

Toch was er één kabouter die zich er niet thuis voelde. Zijn naam was Erik. Hij leek er nooit echt bij te horen, hoe hij zijn best ook deed. Soms vroeg hij zich zelfs af of hij wel een echte kabouter was. 

Als alle andere kabouters gingen zwemmen in het meer, keek Erik toe aan de rand van het water. Hij kon niet zo goed zwemmen als de rest en vond het eigenlijk ook niet zoveel aan. Als de kabouters in de winter gingen zeilen, zat Erik weer aan de rand van het meer te kijken, maar dit keer omdat hij vreselijk last had van zeeziekte. 

Eriks favoriete bezigheid was vogeltjes kijken. Er waren veel verschillende soorten in het dorp en Erik kende ze allemaal bij naam. Stiekem droomde hij ervan om ook te kunnen vliegen, al durfde hij dat nooit hardop te zeggen. Hij wist precies wat de kabouters dan zouden zeggen: ‘Vliegen is voor vogels, niet voor kabouters!’

Alsof hij nog niet genoeg verschilde van de andere kabouters, was er ook nog Eriks huis. Alle huisjes in het kabouterdorp waren gemaakt van hout, maar niet die van Erik. Die had zijn huisje gebouwd uit steen, want dat was veel sterker en veiliger dan hout. De andere kabouters spraken er schande van en vonden het niet passen bij de rest van het dorp. In het begin probeerden sommige kabouters Eriks huisje zelfs kapot te maken, want, zo dachten ze, dan bouwt hij vast een nieuwe uit hout. Maar het stenen huis was veel te sterk voor hun hamers en zagen, dus dat plan moesten ze al snel opgeven. Eriks huisje bleef staan zoals hij was. 

Vanaf dat moment besloten de kabouters dat het beter was om Erik met rust te laten. Dat was aan de ene kant fijn voor Erik, maar aan de andere kant betekende het ook dat hij altijd in zijn eentje was. Niemand wilde vrienden zijn met zo’n rare kabouter als hij. 

‘s Nachts, als iedereen sliep en het muisstil was in het dorp, zat Erik vaak op het dak van zijn huisje naar de lucht te kijken. Hij had namelijk ontdekt dat er vuurvogels op de berg woonden. Dat waren echte nachtdieren, dus pas als het donker was verlieten ze hun nesten om eten te zoeken. Elke nacht keek Erik met bewondering naar hun prachtige vleugels die in vuur en vlam stonden en een spoor van glanzend goud achterlieten in de lucht. Hij wilde net als hen zijn, zodat hij met ze mee kon vliegen en vrij was van alles en iedereen. 

Hij wilde zo graag meer weten van de vuurvogels dat hij na wekenlang moed verzameld te hebben het toch eindelijk aandurfde om helemaal naar de top van de berg te klimmen. De vuurvogels hadden hun nesten gebouwd in openingen in de rotswand, zodat ze lekker droog zaten als het regende. Van dichtbij waren de vogels nog veel groter dan Erik had gedacht. Hij was een beetje bang, maar liet zich daar niet door tegenhouden. Hij had namelijk een plan. Hij wilde per se weten hoe je moest vliegen en alleen de vuurvogels konden hem dat leren. 

De vuurvogels waren niet blij dat een kabouter hun nesten had gevonden. Ze wilden met rust gelaten worden. Ze stuurden Erik meteen weer weg toen hij vroeg of ze hem wilden leren vliegen. Toch kwam hij elke nacht weer terug. 

Langzamerhand begonnen de vuurvogels aan hem te wennen en werden ze steeds betere vrienden. Erik vertelde de vuurvogels alles over het kabouterdorp en zij vertelden op hun beurt over hun leven en gewoontes. Na een tijdje begonnen de vuurvogels Erik als één van hen te zien en stemden ze er uiteindelijk mee in om hem te leren vliegen. 

Erik kon zijn geluk niet op. Het was niet makkelijk voor een kabouter om te leren vliegen, maar Erik werkte hard en bleef altijd geduldig. Ook al leek het soms alsof hij het nooit zou leren, hij dacht er geen moment aan om op te geven. Het lukte steeds beter en beter, en hij kon zelfs al een rondje om de berg zweven. 

Het enige wat hij nu nog wenste, was dat hij vleugels had. Dan zou hij echt kunnen vliegen en sturen, en niet alleen maar zweven en met de wind meedrijven. Die hebben kabouters natuurlijk niet, maar Erik had bedacht dat hij ze zelf wel kon maken. Hij kwam op dat idee toen hij vaak losse veertjes in de nesten van de vuurvogels vond. Hij vroeg of hij de gouden veertjes mee naar huis mocht nemen. Dat vonden de vuurvogels goed, zolang hij ze nooit aan de andere kabouters zou laten zien. Ze wilden niet dat de kabouters erachter kwamen waar ze woonden. Erik beloofde het plechtig en ging elke nacht met een handvol veertjes terug naar huis. Die naaide hij dan aan elkaar, zodat het na een tijdje echte vleugels zouden worden. Zodra de zon opkwam en Erik ging slapen, verstopte hij ze onder zijn bed. Zo zou niemand erachter komen. 

Tenminste, dat dacht hij.

——————————

Op een dag zat Erik in zijn huisje de veertjes die hij net die nacht had verzameld aan elkaar te naaien. Hij zag tot zijn grote geluk dat hij nog maar één handje veren nodig had om de vleugels af te maken. Dan zou hij echt bij de vuurvogels horen. Misschien mocht hij dan wel bij ze wonen! Met een tevreden gezicht legde hij de vleugels voorzichtig onder zijn bed. 

Wat hij niet wist, was dat er op dat moment twee kabouters stiekem door zijn raam gluurden. Ze hadden Erik van de berg af zien komen en waren hem gevolgd om te kijken wat hij aan het uitspoken was. Toen ze de goudkleurige veren zagen, wilden ze weleens weten waar hij die vandaan haalde. 

Ze verstopten zich die avond naast Eriks huisje en wachtten tot hij wegging. Ze volgden hem helemaal de berg op, waar ze tot hun verbazing de nesten van de vuurvogels vonden. Ook zagen ze dat Erik vrienden had gemaakt met de vogels en hij zelfs leerde vliegen. De kabouters vergaten de goudkleurige veertjes meteen. Ze sprongen op uit hun schuilplaats en wezen beschuldigend naar Erik. 

‘Jij bent geen echte kabouter’, riepen ze verontwaardigd. ‘Je hoort niet in ons dorp!’ Ze gaven Erik geen kans om te reageren en klommen snel de berg weer af. 

Eriks hart bonsde in zijn keel. Nu zou iedereen in het dorp weten dat hij leerde vliegen van de vuurvogels. 

‘Wacht!’ riep hij de kabouters na. ‘Vertel ze alsjeblieft niks!’ Hij klom zo snel als hij kon achter de kabouters aan, maar die waren veel te snel. Zodra ze de voet van de berg hadden bereikt, renden ze het dorp in.

‘Erik heeft iets voor ons geheim gehouden’, zeiden ze tegen iedereen die ze tegenkwamen. ‘Hij is elke nacht bij de vuurvogels op de berg en ze leren hem vliegen!’

‘Maar dat kan toch helemaal niet?’ zei iemand verbaasd.

‘Kabouters horen niet te vliegen!’ zei een ander.

‘Eerst bouwt hij een huis van steen en nu leert hij vliegen!’ mopperde een derde kabouter. 

Zodra Erik het dorp inrende, werd hij omringd door boze kabouters.

‘Je bent een schande voor het dorp!’ riepen ze naar hem.

Een oud kaboutervrouwtje schudde afkeurend haar hoofd. ‘Waarom kun je niet gewoon zo zijn als de rest?’ 

Erik wist niet wat hij moest zeggen. Zijn geheim was uitgekomen en nu was hij nog meer een buitenbeentje dan eerst. Maar bovenal was hij bang dat de vuurvogels boos op hem waren. Hij had tenslotte beloofd om hun nesten geheim te houden. Wat als hij niet meer welkom was op de berg? Wat als ze geen vrienden meer met hem wilden zijn? 

Verdrietig rende hij naar huis en verstopte zich in zijn bed. Hij trok de dekens zo ver mogelijk over zijn hoofd en hoopte dat het allemaal maar een nare droom was.

Wat hij niet wist, was dat de vuurvogels inderdaad vreselijk boos waren. Maar niet op Erik. Nee, op de kabouters! Ze vonden het oneerlijk dat de kabouters zo gemeen waren tegen hun vriend. Ze waren het er allemaal over eens dat het zo niet langer kon. 

Het was tijd voor wraak.

——————————

De volgende dag was er aan het eind van de middag een groot feest in het kabouterdorp. Eén van de kabouters was 150 jaar geworden en dat werd groots gevierd op het dorpsplein. In het midden van het plein was een gezellig kampvuur gebouwd en er stonden allemaal lange tafels met banken waar de kabouters konden eten en drinken. Er was een bandje dat vrolijke muziek speelde en het hele plein was rondom versierd met gekleurde ballonnen, lampionnen en lampjes. Het was een geweldig feest en alle kabouters zongen en dansten tot ze niet meer konden. 

Het feest was al bijna voorbij toen één van de kabouterkinderen naar de lucht wees en riep: ‘Moet je kijken!’ 

De kabouters keken verbaasd omhoog. Een vuurbal vloog door de lucht en liet een spoor van vlammen achter. Eerst was er maar eentje, maar toen kwamen er steeds meer bij, totdat er tientallen vuurballen over het dorp schoten. 

‘Wat is dat?’ vroegen de kabouters aan elkaar. Maar geen van de kabouters had ooit zoiets gezien. Ongeruste stemmen klonken over het plein, totdat één van de oudste kabouters opstond. 

‘Dat zijn Eriks vogels. De vuurvogels die op de berg wonen’, zei hij. Zijn stem trilde en hij hield zijn wandelstok nog iets steviger vast. 

Toen de vogels over het dorp waren gevlogen, draaiden ze zich plotseling om en maakten ze een duik naar de grond. 

‘Pas op, ze komen op het dorp af!’ riep de oude kabouter. 

De vuurvogels vlogen steeds lager en lager, totdat ze over de daken van het kabouterdorp scheerden. Elk huisje dat ze onderweg tegenkwamen raakten ze even kort aan met hun brandende vleugels. Omdat alle huisjes gemaakt waren van hout, was dat genoeg om ze in vuur en vlam te zetten. Het duurde maar even voordat het grootste gedeelte van het dorp in brand stond. 

Er brak grote paniek uit. De kabouters probeerden hun huis te blussen met emmers water, maar dan vloog er weer een vuurvogel langs die het huis opnieuw in brand zette.

Erik was in slaap gevallen en schrok wakker van het geschreeuw van de kabouters. Hij haastte zich naar het raam en wist meteen wat die vlammenzee te betekenen had. De vuurvogels nemen wraak! dacht hij verschrikt. 

Zijn huisje was gemaakt van steen, dus hij was als enige veilig. Hij kon blijven zitten waar hij zat als hij dat wilde. Even dacht hij erover na om de vuurvogels hun gang te laten gaan. De kabouters waren tenslotte zo gemeen tegen hem geweest. Maar hij kon het niet. Ook al dachten de dorpelingen er anders over, Erik was en bleef toch een echte kabouter. Hij had zijn hele leven in het kabouterdorp gewoond en wilde niet dat het in vlammen opging. 

Hij rende terug naar zijn bed en pakte zijn vleugels. Hij miste nog steeds een handjevol veren, dus de vleugels waren niet helemaal af, maar daar was nu niks aan te doen. Met zijn vleugels onder zijn ene arm en een grote tobbe onder zijn andere arm, rende Erik zijn huisje uit. Hij deed de vleugels op zijn rug, haalde diep adem en concentreerde zich op het vliegen. Precies zoals de vuurvogels hem geleerd hadden. Hij zette af met zijn voeten en schoot meteen de lucht in. 

Door de missende veren was het moeilijk om in een rechte lijn te vliegen, maar Erik was vastberaden om het dorp te redden. Zo snel hij kon vloog hij naar het meer en vulde zijn tobbe met water. Daarna vloog hij terug naar het dorp en kieperde het water over de brandende huisjes. De tobbe was zwaarder dan hij had gedacht, maar Erik gaf niet op. Hij bleef heen en weer vliegen tussen het meer en het dorp. Zo had hij al snel de helft van de huisjes geblust. De angstige en verbaasde stemmen van de kabouters die hem zagen vliegen, gingen langzaam over in luid gejuich. 

‘Hup, Erik!’ riep een kabouter.

‘Hou vol!’ riep een ander.

Al snel moedigden alle kabouters hem aan. 

Erik was inmiddels doodop door het bijsturen van zijn incomplete vleugels en de tobbe die met elke vlucht een beetje zwaarder leek te worden. Maar de aanmoedigingen van de kabouters gaven hem steeds weer de energie die hij nodig had.

De vuurvogels stopten met het in brand zetten van de kabouterhuisjes en keken vol verbazing hoe Erik in zijn eentje het dorp redde van de vlammen.

Toen bijna het hele dorp was geblust, kon Erik bijna niet meer. Het werd steeds moeilijker om in de lucht te blijven. Maar hij hoefde nog maar één keer heen en weer te vliegen, dus vulde hij de tobbe voor de laatste keer en vloog zo goed als het kon naar het dorp. Zijn tenen schraapten over de daken en met zijn allerlaatste kracht bluste hij de huisjes die nog in brand stonden. 

Zodra het laatste huisje was gered, liet Erik de tobbe op de grond vallen. Hij kon zichzelf niet meer in de lucht houden. Als een komeet stortte hij naar beneden en kwam neer aan de rand van het dorpsplein.

De kabouters renden bezorgd naar hem toe en haalden de vleugels van zijn rug. Hij was gelukkig niet gewond, maar hij kon niet meer op zijn benen staan van vermoeidheid. De sterkste kabouters van het dorp hesen Erik op hun schouders en droegen hem het hele plein over, terwijl de andere kabouters hem toejuichten. Iedereen riep zijn naam en van alle kanten hoorde hij: ‘Erik is onze held!’

De vuurvogels zaten van een afstandje te kijken en knikten naar elkaar. Het was tijd om terug naar huis te gaan. Erik zag ze over het dorpsplein vliegen en lachte. Hij was niet boos op hen, want hij wist dat ze hem alleen maar hadden willen helpen. De vuurvogels knikten tevreden naar hem en verdwenen toen in hun nesten op de berg.

——————————

Een paar dagen later werd er weer een feest gegeven in het dorp, maar deze keer ter ere van Erik. Zijn vleugels waren beschadigd geraakt tijdens zijn val, maar de kleermakers van het dorp hadden hard gewerkt om ze te repareren. Ze waren zelfs bibberend van angst naar de vuurvogels gegaan om extra veertjes te vragen. Dan konden ze de vleugels helemaal afmaken. De vuurvogels vonden dat een mooi cadeau voor Erik en hadden de kleermakers zelfs nog wat extra veren meegegeven.  

Erik was dolgelukkig met zijn nieuwe vleugels, maar tot zijn grote verrassing was dat niet het enige cadeau wat hij kreeg. Hij werd ook nog eens benoemd als beschermer van het dorp en adviseur van de hoofdkabouter. 

Die kans liet Erik niet aan zich voorbij gaan. Op zijn advies werden alle kabouterhuisjes voortaan uit steen gebouwd en was het dorp een stuk veiliger. Alle kabouters behandelden Erik met respect en hij werd nooit meer uitgelachen. 

Hoewel hij heel blij was met zijn nieuwe leven in het dorp en de vrienden die hij had gemaakt, vergat Erik zijn eerste vrienden, de vuurvogels, nooit. Daarom ging hij vaak bij ze langs op de berg. Dan oefende hij het vliegen en vertelde hij ze alles wat hij had meegemaakt die week. Soms kreeg hij een handvol veertjes mee als zijn vleugels er een paar hadden verloren. 

De vuurvogels hielden op hun beurt altijd goed in de gaten of de kabouters Erik nog wel goed behandelden. Daarom vlogen ze af en toe over het dorp om een kijkje te nemen. 

Als Erik ze zag, glimlachte hij naar hen en vlogen de vuurvogels met een gerust hart terug naar hun nesten op de berg. 

Want als Erik naar ze lachte, dan wisten ze dat alles goed was.

 

Verder lezen? Bekijk alle avonturenverhalen en kinderverhalen vanaf 8 jaar

Afbeelding gemaakt door @tessa.prints