kinderverhaal herfst

Egel is verdwaald

Het is een mooie herfstdag en Egel gaat buitenspelen. Maar ongemerkt gaat hij steeds verder het bos in. Opeens weet hij niet meer waar hij is. Egel is verdwaald! Hoe komt hij nu weer thuis?

Het verhaal

Het was een zonnige herfstdag. Egel stak zijn snuit buiten zijn holletje en snoof de frisse lucht en de geur van natte bladeren op. Blij huppelde hij naar buiten. Wat een fijne dag om buiten te spelen! 

Egel volgde het pad, dieper het bos in, op zoek naar avontuur. Hij huppelde tussen bomen door en kletste heel wat af met alle dieren die hij onderweg tegenkwam. Hij rolde in de bladeren totdat ze aan zijn stekels bleven hangen, speelde verstoppertje met andere egels en ging op zoek naar lekkere hapjes.

De tijd vloog voorbij en Egel ging steeds dieper het bos in. Hij had zo’n lol dat hij niet eens merkte hoe laat het al was. Er stak een harde wind op die de bladeren van de bomen waaide. Als een zachte regen kwamen ze op Egel neer. Dat vond hij alleen maar leuk, want hij lachte, sprong en rolde in de nieuwe bladeren. 

Toch werd hij na een tijdje toch wel een beetje moe. Misschien is het tijd om terug naar huis te gaan, dacht hij. Maar… welke kant was dat op? 

Egel keek om zich heen. Hij had al die tijd het pad gevolgd, maar nu was er geen pad meer te zien. De harde wind had voor een dikke laag bladeren op de grond gezorgd. Egel stak zijn snuit tussen de bladeren, maar waar hij ook zocht, hij vond het pad niet terug.

O jee, dacht Egel. Hoe kom ik nu weer thuis?

Zijn gevoel zei dat hij richting de ondergaande zon moest gaan. Zijn pootjes begonnen die kant zelfs al op te lopen. Maar wacht even, dacht Egel, klopt dit wel? Wat als zijn gevoel het mis had? Straks was hij nog veel verder van huis! Hij bleef staan en durfde niet verder te lopen.

Hij kon maar beter iemand de weg vragen.

Gelukkig zag hij al snel een uil in een boom zitten. Uilen waren heel wijs, dus hij wist vast wel hoe Egel weer thuiskwam.

‘Uil!’ riep Egel omhoog.

De uil deed één oog open. ‘Hmm?’

‘Weet jij misschien hoe ik weer thuis kom? Ik ben verdwaald.’

‘Natuurlijk weet ik dat’, zei de uil, alsof hij niet kon geloven dat iemand zo’n domme vraag aan hem stelde. Hij strekte lui zijn vleugel uit en wees tussen de bomen door. ‘Die kant op. Gewoon rechtdoor blijven lopen en je komt er vanzelf.’ 

Het was precies de andere kant op dan Egel dacht. Het was maar goed dat hij niet naar zijn gevoel had geluisterd.

‘Bedankt, Uil!’ riep Egel opgelucht.

‘Hmpf’, zei de uil en sloot zijn ogen weer. 

Vol goede moed liep Egel door het bos. Hij lette goed op of hij iets herkende. Maar de bomen, planten en struiken om hem heen kwamen hem helemaal niet bekend voor. Des te langer hij liep, des te meer hij begon te twijfelen. Was dit echt wel de goede weg? 

Toch bleef Egel lopen. De uil zou toch wel gelijk hebben. Misschien was het gewoon nog een stukje verder. Pas toen hij bij een rivier aankwam en niet verder kon, bleef hij staan. Egel kon best een beetje zwemmen, maar de overkant was wel erg ver weg en het water stroomde ook nog eens erg snel. 

Gelukkig zwom er op dat moment een vis voorbij.

‘Vis!’ riep Egel. 

De vis zag hem staan en zwom tegen de stroom in om met hem te kunnen praten.

‘Hallo’, zei de vis opgewekt. ‘Kom je naar mijn nieuwe kunstje kijken? Ik heb het net geleerd. Let op, hoor!’ Hij schoot omhoog uit het water, maakte een indrukwekkende salto in de lucht en dook toen weer onder water.

‘Wat knap, zeg!’ riep Egel toen de vis weer boven kwam. 

‘Nu jij’, zei de vis enthousiast.

Egel moest lachen. ‘Dat kan ik toch helemaal niet?’

‘Ik kan het je leren als je wil.’

‘Ik riep je eigenlijk voor iets anders’, zei Egel. ‘Mag ik je wat vragen?’

‘Natuurlijk! Wat wil je weten? Hoe ik die salto heb geleerd? Nou, het begon allemaal–’

‘Nee, nee’, onderbrak Egel hem snel. ‘Ik wou alleen maar vragen of jij weet hoe ik aan de overkant kom. Ik ben namelijk verdwaald en de uil zei dat mijn huis deze kant op is.’

‘O, maar dat is makkelijk’, zei de vis.

‘O ja? Hoe dan?’

‘Zwemmen natuurlijk! Kijk, zo.’ Voordat Egel iets kon zeggen, dook de vis onder water en zwom weg. Even later kwam hij aan de overkant van de rivier weer boven. Hij zwaaide met zijn vin, dook onder water en kwam bij Egel weer boven. 

‘Makkelijk toch?’ zei hij.

Egel schudde zijn hoofd. ‘Zo ver kan ik niet zwemmen’, zei hij. ‘En de stroming is te sterk.’

De vis bekeek Egels stekels en korte pootjes eens goed. ‘Hmm, misschien heb je wel gelijk.’ Hij dacht even na. ‘Beverdam!’ riep hij toen.

Egel snapte niet wat hij bedoelde. ‘Beverdam?’

‘Ja!’ lachte de vis. ‘Een stukje verderop hebben bevers een beverdam gebouwd. Daar kun je zo overheen lopen naar de overkant.’

Nu snapte Egel het. Wat een goed idee!

‘Bedankt, Vis’, zei Egel. ‘Je hebt me erg goed geholpen.’

‘Geen dank!’ zei de vis. Hij maakte nog een salto en liet zich toen weer meevoeren door de stroming. 

Egel zwaaide hem uit en ging op zoek naar de beverdam. Het was niet moeilijk te vinden. Voor hij het wist was hij al aan de overkant van de rivier. Eindelijk kon hij weer verder.

Egel liep alsmaar verder en verder. Hij zou nu toch wel bijna thuis moeten zijn, maar nog steeds kwam niets hem bekend voor. Hij kwam zelfs voor de tweede keer bij een rivier en moest nog een keer over een beverdam klimmen. Er was helemaal geen rivier dicht bij zijn huis. Dat was toch wel vreemd. Ging hij nog steeds in de goede richting? Egel wist het echt niet meer. Aan wie kon hij de weg nu vragen?

Een geluidje boven zijn hoofd trok zijn aandacht. Hij keek omhoog en zag een eekhoorn in de boom zitten. De eekhoorn schoot langs de boomstam naar beneden, pakte één van de eikeltjes die hij daar op een hoopje verzameld had en schoot weer de boom in Daar legde hij het eikeltje in een holletje. Zo te zien was hij eten aan het verzamelen voor de winter.

‘Eekhoorn?’ riep Egel.

De eekhoorn stak zijn kop uit het holletje. ‘O, hallo daar. Het spijt me vreselijk, maar ik heb vandaag geen tijd voor bezoek.’

‘Dat geeft niks’, zei Egel. ‘Ik wil alleen maar iets vragen.’

Nieuwsgierig bekeek de eekhoorn hem vanuit de boom. ‘Wat wil je weten?’

‘Jij zit zo lekker hoog in de boom. Kun jij van daaruit mijn huis zien? Ik ben verdwaald en wil graag weer terug naar mijn holletje.’ 

De eekhoorn keek in de verte. ‘Ah, ik zie het al’, zei hij. 

‘Wat zie je dan?’ vroeg Egel.

‘Je moet die kant op’. De eekhoorn wees naar links. ‘De vijfde tak naar links, de derde tak naar rechts en dan helemaal rechtdoor. Makkelijker kan niet.’

‘Maar ik kan niet in bomen klimmen, Eekhoorn. Ik ben een egel, zie je.’

‘Ach ja’, zei de eekhoorn. ‘Dat gaat natuurlijk niet. Maar dan weet ik het goed gemaakt. Volg mij maar!’

De eekhoorn klom over de takken van de boom naar de volgende boom en toen weer naar de volgende. Egel deed zijn best om hem te volgen vanaf de grond.

Het eerste stukje lukte nog wel, maar de eekhoorn rende zo snel dat Egel hem amper bij kon houden. Voordat hij het wist was hij helemaal uit het zicht verdwenen.

‘Eekhoorn, wacht op mij!’ Maar de eekhoorn was al zo ver weg dat hij Egel niet hoorde.

Daar zat Egel dan. Nog steeds verdwaald en nog steeds geen idee hoe hij zijn huis terug kon vinden. Moe en verdrietig rolde hij zich tussen de bladeren op in een balletje. Zou hij dan echt nooit meer thuis komen? Dikke tranen rolden over zijn wangen. Hij miste zijn warme holletje. Waarom was hij zo ver van huis gegaan?

‘Ben je daar weer?’ klonk een bekende stem.

Verbaasd keek Egel op. Tussen de takken van de boom zat de uil die hem eerder de weg had gewezen! 

‘Hoe kom jij nou hier?’

De uil schudde zijn kop. ‘Ik wist niet dat egels zoveel domme vragen konden stellen. Ik zit hier de hele dag al.’ 

Maar wacht eens…

De bomen om Egel heen kwamen hem eigenlijk wel bekend voor. En die struik daar ook. Hij was hier zeker weten eerder geweest.

‘Heb je een leuk rondje gelopen?’ zei de uil. ‘Ik dacht dat je naar huis wilde?’

Opeens snapte Egel het. Hij had al die tijd in een hele grote cirkel gelopen! Daarom kwam hij twee keer een rivier met een beverdam tegen. Hij was twee keer dezelfde rivier overgestoken! 

‘En nu kom je zeker weer de weg vragen?’ zuchtte de uil.

Maar Egel had zijn lesje geleerd. Hij had al eerder naar de uil geluisterd en was alleen nog maar verder verdwaald geraakt.

‘Nee, bedankt’, zei hij. ‘Deze keer vind ik de weg zelf wel.’

‘Zonder mijn hulp?’ De uil schudde zijn hoofd. ‘Dat komt nooit goed.’

‘Ik denk dat ik het toch maar ga proberen’, lachte Egel.

‘Hmpf’, zei de uil. ‘Dan moet je het zelf maar weten.’ Hij stak zijn snavel in zijn veren en sloot zijn ogen. 

Egel keek nog eens goed om zich heen. Het pad was nog altijd niet te zien door de dikke laag bladeren, maar dat gaf niks. Egel dacht aan zijn holletje, met al zijn spulletjes en zijn warme bed. Hij zag het zo duidelijk voor zich dat het bijna was alsof hij er al was. Hij begon te lopen zonder dat hij er over na hoefde te denken. Hij wist niet hoe hij het zo zeker wist, maar deze keer ging hij zeker weten de goede kant op.

En ja hoor, daar kwam de eerste boom al voorbij die hij herkende. En een tweede. En een derde. Totdat hij precies wist waar hij was. Zijn holletje was een eindje verderop.

Egel maakte een sprongetje van blijdschap. Eindelijk thuis!

Terwijl hij weer veilig en warm in zijn holletje zat, dacht hij aan zijn grote avontuur van vandaag. Hij had Uil, Vis en Eekhoorn helemaal niet nodig gehad. Hij had al die tijd zelf geweten wat het goede pad was.

De volgende keer dat hij verdwaald was, zou hij gewoon naar zijn eigen gevoel luisteren. Want dat wist de weg naar huis altijd te vinden.